Competitie verdeelt het werknemersfront

Gepubliceerd op 5 mei 2020 om 12:26

Henk Witte                                                                                                                                                                                                                       

 

Het kapitalistische systeem gaat uit van competitie waarbij wordt beweerd dat dit de beste garantie is voor werkgelegenheid. Die hele competitieve marktwerking, vooral tijdens het neoliberalisme van de afgelopen decennia, heeft echter niet weten te voorkomen dat er steeds meer banen verdwijnen.

Diezelfde competitie brengt namelijk met zich mee dat ondernemingen enerzijds hun producties naar de lage loonlanden verplaatsen en dat anderzijds of misschien moet ik zeggen daarnaast zoveel mogelijk geautomatiseerd, gecomputeriseerd en gerobotiseerd wordt om op loonkosten te besparen. Weg werkgelegenheid. Nou kan je van het verplaatsen naar lage loonlanden nog zeggen dat men elders met dat werkaanbod gebaat is, ware het niet dat er volstrekt geen sprake is van edele motieven. Integendeel.  Niet zelden is er sprake van uitbuiting, gepaard gaande met kinderarbeid, onmenselijke werkomstandigheden en slechte of helemaal geen sociale back-up noch verzekeringen.

Feitelijk vindt dan ook de concurrentie vooral plaats tussen de werknemers, niet de werkgevers. Op alle niveaus worden de werknemers tegen elkaar opgezet. Die moeten het doorlopend opnemen tegen collega’s in het bedrijf, op nationaal niveau, in Europa en verder. Werknemers hier moeten het opnemen tegen de Duitse, de Japanse, de Koreaanse, de Chinese. De werknemers zijn daarnaast in een concurrentiestrijd met onderbetaalde flexwerkers en met de ongeschoolden. Een concurrentiestrijd waarin werknemers zich in hun overlevingsstrijd  gemakkelijk tegen elkaar laten uitspelen – ‘voor jou tien anderen’-. Een succesvolle strategie van de werkgevers om de lonen laag te houden.

Al sinds het begin van de industrialisatie houden de rijken en de bazen ons voor de gek, maken ze ons bang, streven ze ernaar het werkvolk in de hokken te houden, aan teugels die zo min mogelijk gevierd worden. Het afschaffen van kinderarbeid zou volgens hen zogenaamd de economie ruïneren, de achturige werkdag zou dodelijk zijn, vakantiedagen en de vrije zaterdag al evenzo. Allemaal pogingen tot onderdrukking en knechting. Hetzelfde gold voor de pogingen om het algemeen kiesrecht tegen te houden, het recht op vereniging te dwarsbomen, dwars te liggen bij initiatieven voor medezeggenschap in de ondernemingen.  Daarnaast is ook het doorlopend gemorrel aan sociale voorzieningen, het verlagen bijvoorbeeld van werkeloosheidsuitkeringen een herhaaldelijke poging van het bedrijfsleven om de knechting te consolideren en de lonen te drukken.

Crisissen zoals die in 2008 en zeker ook nu met de pandemie worden door het bedrijfsleven met gretigheid aangegrepen om op die sociale voorzieningen en de loonontwikkelingen af te dingen. Men moet daarbij bedenken dat kortingen op lonen of geknabbel aan sociale voorzieningen nooit, maar dan ook nooit extra banen heeft opgeleverd. Het uitgespaarde geld verdwijnt in de zakken van de directeuren, managers en aandeelhouders en draagt slechts bij aan een steeds grotere afstand tussen de werknemers en de elite.

Ook subsidies aan bedrijven, die in de afgelopen dertig jaar de twintig miljard heeft overschreden deden niets aan de toenemende werkeloosheid. Ze werden, net als overigens de belastingverminderingen en in het algemeen de beschamend coulante belastingregels voor de grootbedrijven – zogenaamd bedoeld om de concurrentiepositie en de werkgelegenheid te borgen - gebruikt voor verdergaande arbeidsbesparende maatregelen en verdwenen naar de bevoorrechten. En Intussen moet de werknemer  het gezag van de baas als een moderne slavernij ondergaan.

De werknemers hebben ondanks die tegenkrachten dankzij strijd hun positie weten te verbeteren. Dat recht op vereniging is er gekomen, de sociale voorzieningen zijn tot stand gebracht, het stakingsrecht is bereikt en de ondernemingsraden zijn niet meer weg te denken. Desondanks rust er ondanks de overwinningen die dankzij solidariteit en eendracht behaald zijn nog een zwaar juk op de schouders van de werknemers. Een juk dat onze vooruitgang belemmert. Een juk ook dat vanwege die onderlinge concurrentie en de voortdurend zwaardere belasting leidt tot stress, overspannenheid en massale uitval.

Competitiviteit, concurrentie, de marktwerking; het is niet in het belang van de werknemer. De hoop is gevestigd op het gezonde verstand. Verstand dat ons de ogen opent en er voor gaat zorgen dat het pad van de marktwerking wordt verlaten. We moeten ons niet langer laten verdelen en tegen elkaar laten opzetten, maar collectiever gaan denken. Een collectiviteit waarbij het belang van de ander ook jouw en mijn belang is. Onze leefomstandigheden en zeker ons welzijn hangen niet af van ons vermogen om te concurreren, maar van eenheid en saamhorigheid, van solidariteit en van gelijkheid.

 


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.