De liberale cultuur is een cultuur van onverschilligheid

Gepubliceerd op 9 mei 2020 om 09:12

Paul Mepschen-Jan Willem Stutje/Grenzeloos  

 

                                                                                                                          De coronacrisis roept fundamentele vragen op over de menselijke samenleving en haar toekomst. Ze stelt het neoliberale kapitalisme in een ongekend schril daglicht en dwingt ons opnieuw na te denken over de relatie tussen economie en ecologie, over kwesties als zorg en solidariteit, over ethiek en moraliteit. COVID-19 is bovendien de ontsteker van een globale economische en sociale crisis die zijn weerga niet kent- met miljoenen werklozen, immense armoede en geopolitieke spanningen tot gevolg.

Veel mensen wijzen erop dat we niet door kunnen gaan op ingeslagen wegen. Zelfs zij die doorgaans tot gematigdheid oproepen of die het neoliberalisme kort geleden nog omarmden. Enkelen geloven dat het we het einde van het neoliberalisme meemaken. Anderen zijn pessimistischer. De Rotterdamse socioloog en linkse publicist Willem Schinkel betoogt bijvoorbeeld dat we ons klaar moeten maken voor de storm die gaat komen. De storm is in zijn ogen een poging om de deur weer dicht te doen, alles weer op slot te gooien zodat de kapitaalaccumulatie na de lock down weer ongehinderd op gang kan komen. Hij heeft vermoedelijk gelijk als hij betoogt dat we jaren van ongekende bezuinigingen en een daling van lonen, uitkeringen en pensioenen kunnen verwachten. En het is waar: terwijl in 2008 de bankiers als de schuldigen van de crisis werden aangewezen, blijven nu de financiële sector en meer algemeen de contradicties van het kapitalisme buiten beeld.

De oproep voor een pact ‘om de gevraagde offers niet als redelijk te omarmen en het dreigende geweld niet te accepteren’ is belangrijk. Maar Schinkels benadering roept ook vragen op: een ‘dikke middelvinger’ naar het establishment verandert de wereld niet. No is not enough luidt de titel van Naomi Kleins aanklacht tegen Trumps shockpolitiek (2017). Hoe ziet Schinkels voorgestelde pact eruit? Aan wie is de oproep gericht? Dat zijn de belangrijkste vragen, lijkt ons. Dat een radicale afwijzing van wat komen gaat nodig is, staat buiten kijf. Maar op wie rekenen we als het gaat om het verzet tegen die maatregelen? Wie gaat die strijd voeren voor een andere maatschappelijke ordening waarin het kapitalistisch geweld - armoede, zorgloosheid, ontmenselijking, onzekerheid, ecologische vernietiging - niet langer wordt aanvaard? En hoe gaan we dat verzet, gericht op machtsvorming en structurele verandering, organiseren? Dat kan alleen het werk zijn van de arbeidersbeweging en andere sociale bewegingen, ondanks hun huidige beperkingen.

Kortom, het roept de vraag op wie historisch gezien het best gepositioneerd is om een radicale maatschappelijke verandering te bewerkstelligen. In een meer klassieke fraseologie: de vraag welke sociale klasse in staat is verandering af te dwingen. Dat zijn niet in de eerste plaats, en dat zal Schinkel beamen, de intellectuelen. Hoe luidruchtig zij ook oproepen de status-quo of het herstel daarvan niet te accepteren. De coronacrisis dwingt ons na te denken over de arbeidersklasse in de breedste zin van het woord - inclusief de door Schinkel gehoonde witte mannen in overhemd. Die arbeidersklasse is transnationaal en neemt voortdurend in omvang toe. Ze onderhoudt in de geglobaliseerde productieketens steeds intensievere connecties, maar vertoont ook een steeds grotere heterogeniteit. Het laatste als gevolg van een arbeidsdeling waarbij grofweg de hoogwaardige geschoolde arbeid in het ‘centrum' (Europa en de VS) plaatsvindt terwijl in de afhankelijke periferie (Zuid en Oost Europa en Global South) vooral de precaire arbeid is gesitueerd. De schade is er onbeschrijfelijk: een extreme ongelijkheid en vernietiging van het milieu, deregulering en uitschakeling van vakbonden maar ook een praktijk van relatieve in- en uitsluiting en daarmee  ook de voortdurende institutionalisering van racisme. Dit is niet in de eerste plaats een moreel probleem, zoals Schinkel het lijkt op te vatten, maar een politieke kwestie met als uitdaging: hoe de gevolgen van die ongelijkheid en verdeeldheid in de arbeidersklasse te overwinnen.  

Het beeld dat Schinkel van die arbeidersklasse schetst, lijkt ons niet juist. Het komt in zijn metafoor van de witte man in hemdsmouwen neer op een gecorrumpeerd klootjesvolk dat gehecht is aan zijn privileges, profiterend van de uitbuiting van de gemarginaliseerde ander. 
Zeker, de witte arbeidersklasse in een land als Nederland heeft privileges. We maken ons geen illusie dat dit de voorwaarden om tot internationale solidariteit te komen bemoeilijkt. We zijn evenmin blind voor het gevaar dat dit geprivilegieerde deel juist nu het nationalisme in de USA en Europa een hoge vlucht neemt verleid wordt tot onverschilligheid tegenover de ellende in de Global South . Of erger, uitgedaagd wordt tot openlijke chauvinistische, xenofobe en seksistische reacties. Maar het is goed om eraan te blijven herinneren dat die arbeidersklasse niet in de eerste plaats verantwoordelijk is voor die uitbuiting van de Global South. Laat staan dat zij over de wapens beschikt om die kapitaalaccumulatie te waarborgen.  Nu haar privileges (de relatieve welvaart) onder invloed van de recessie als sneeuw voor de zon verdwijnen en wellicht voor goed verloren zijn, vallen barrières weg die een natuurlijker lotsverbondenheid mogelijk maken.
Maar nog een andere feit mag niet onbesproken blijven. De ongelijkheid is niet een nieuw fenomeen of pas ontstaan in het neoliberale kapitalisme. Lenin schreef er al over in 1907 toen hij het ontstaan van een geprivilegieerde westerse arbeidersaristocratie in verband bracht met de excessieve opbrengsten van kolonialisme en slavernij. Sindsdien is het debat hierover en de gevolgen voor de internationale solidariteit niet verstomd. Al verschoof  de aandacht gaandeweg van de financiering door koloniale uitbuiting naar een financiering door een autonome productiviteitsgroei die krachtiger was dan in de periferie. Natuurlijk kennen we vele tragische voorbeelden waarin de Westerse arbeidersbeweging faalde in het organiseren van internationale solidariteit, maar die verhinderden niet dat ook succesvolle bewegingen werden gebouwd zoals bijvoorbeeld rondom de strijd tegen de Zuid-Afrikaanse apartheid, de dekolonisatie van Algerije, de wereldwijde strijd tegen de oorlog in Vietnam of de solidariteit met Cuba, El Salvador en Nicaragua.
Niets wijst erop dat de suggestie van Schinkel dat de arbeidersklasse zo gecorrumpeerd is dat ze niet het vermogen heeft tot antikapitalistisch verzet, gegrond is. En al helemaal niet als we ons rekenschap geven van de gevolgen van de aanstaande depressie die nog dieper zal zijn dan die in de jaren 30 en die alleen al in de Verenigde Staten op dit moment bijna 30 miljoen mensen werkloos heeft gemaakt.

Tenslotte: de wereld bestaat uit meer dan kapitalistische economie, crisis en materieel belang alleen. Het geschetste beeld van de passieve, onverschillige, egoïstische omstander, de witte man in hemdsmouwen, is een historische figuur: we ontmoeten hem overal en onder alle omstandigheden. Tijdens de Shoah werden zes miljoen Joden afgeslacht: een enkeling schreeuwde, de meesten gingen aan het werk, het bleef stil. Doodstil was het ook van Oost Timor tot Cambodja, van Bosnië tot Rwanda en van Syrië tot de Griekse eilanden. Die apathie en onverschilligheid drukken een facet uit van de liberale maatschappij dat juist in tijden als deze levensbedreigend is. Het roept de vraag op welke ethiek het te hulp schieten van anderen-in-gevaar blokkeert en lijden op grote schaal aanvaardbaar maakt. Opnieuw is het goed eraan te herinneren dat de massa van de gewone mensen niet verantwoordelijk is voor beslissingen die tot deportatie en massamoord leidden. Dat waren en zijn opnieuw de machthebbers. Hun liberale ideologie structureert een cultuur van rechten en plichten rond de notie van niet-inmenging en individuele verantwoordelijkheid. In die context kleeft aan onverschilligheid tegenover calamiteiten en het lijden van anderen niets onfatsoenlijk; het is een legitiem moreel gedrag.  Zeker, er bestaat in die liberale cultuur ook ruimte voor empathie en liefdadigheid, maar dat is een extra, afzijdigheid is het normale, aanvaardbare en fatsoenlijke. In de kern is de liberale cultuur een cultuur van morele onverschilligheid. Dat hoeft niemand te verrassen, want het liberalisme verdedigt een economische formatie die rechtvaardigt dat de rijkdom van de enkeling wordt verkregen door de onderdrukking en (extreme) uitbuiting van grote delen van de wereldbevolking en van de planeet. Als de ellende in die praktijk niemands zorg is dan heeft dat lijden ook voor weinigen gevolgen. Er valt door de bank genomen niet te verwachten dat zij die naar deze ethiek leven mensen-in-nood te hulp schieten.
Het is opmerkelijk dat juist nu de crisis naar een ongekende diepte gaat, iets van een alternatieve ethiek zichtbaar wordt, bewust of onbewust, in een idee van wederzijdse zorg en hulp, vormen van solidariteit waardoor mensen in nood worden geholpen en mensenlevens worden gered. Lichtpunten in de duisternis van de gangbare onverschilligheid.  Links vertegenwoordigt de traditie van humaniteit tegenover barbarij. Dat verplicht haar ertoe na te denken hoe het licht vol te laten schijnen en de humaniteit aan de macht te brengen. Welke nieuwe ideeën en initiatieven, welke nieuwe vormen van communicatie en organisatie moet links ontwikkelen om die macht vorm te geven?
Juist tegen deze achtergrond is het pijnlijk te zien hoe Schinkel zich vrolijk maakt over de hamsteraar, die door te doen wat het systeem van hem vraagt de contradicties van het systeem blootlegt’. Hoezo blootlegt? Deze tijd vraagt toch om een ernstiger analyse. De hamsteraar is een parasiet, net als de handelaar in mondkapjes, product van de kapitalistische logica. De contradicties van het kapitalisme worden dag in dag uit aangetoond door mensen in strijd: door schoonmakers, door werknemers in de zorg en het onderwijs, die vechten voor loon en respect, door activisten in solidariteit met de vluchtelingen aan onze grenzen.

Wie zich daadwerkelijk wil engageren met die wereld van sociale en alledaagse strijd kan niet volstaan met wijzen op het domein waarin de politiek haar spel van posities speelt . Een domein dat beperkt is tot de liberale democratie en haar parlementaire stelsel. Een gevecht is nodig voor een radicale politiek buiten die orde, links van die orde, waarin stelling wordt genomen voor de arbeidersklasse in de breedste zin van het woord. Iedere andere positie is die van de onmachtige of fatalistische omstander - de figuur van de ‘innere Immigration’ - die toeziet hoe honderdduizenden hun ondergang tegemoet gaan.

 


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.