Het drugsprobleem vraagt om militaire inzet

Gepubliceerd op 14 december 2020 om 12:37

Henk Witte                                                                                                                                                                  Vooropgesteld; de volgende woorden zijn ontsproten uit het getormenteerde brein van een overtuigd pacifist. Ze zullen de lezer krom schijnen. Toch waag ik het er op. Ik wil beginnen met een vraag te stellen. Het is een serieuze vraag.

Hoewel dus tegen het militarisme vraag ik me toch af waarom het leger niet wat vaker, wat rapper ook wordt ingezet voor calamiteiten in ons eigen land. De Nederlandse overheid blijkt steeds weer bereid om onze jongens en meisjes van stavast naar brandhaarden in het buitenland, meestal ergens in ‘Verweggistan’, te sturen, maar als binnen onze eigen grenzen de nood aan de man is,  ho maar. Dan is ons trotse leger even niet thuis. En die nood lijkt me toch echt hoog.

Ik heb het over de toestand in de Rotterdamse haven. De drugsimport, de toenemende corruptie en de zich almaar uitbreidende drugsoorlogen in onze samenleving, waarbij liquidaties aan de orde van de dag zijn. Alsof hier niet sprake is van een noodsituatie en dan heb ik het nog even niet over al die slachtoffers die de verslaafden toch zijn. Hoog tijd om die drugsellende bij de bron aan te pakken en voor Nederland is dat dus de Rotterdamse haven.

Voorlopig echter  kunnen ze het daar niet aan. Gebrek aan gevulde politie-uniformen, tekort aan rechercheurs, onderbezetting bij de douane.

Het is een grote schandvlek op ons Nederlands blazoen, groter dan die  enge falende mensonterende handelswijze van die natnekken bij de belastingdienst.  Het spin-off effect van die foute containerladingen is met de vele verslavingen en daaruit volgende criminaliteit, de dodelijke slachtoffers, de vele liquidaties en de toenemende corruptie vele malen groter dan vele andere problemen. Alleen de oorlogen, honger en armoede en het klimaat vragen om voorrang.

In 2005 werden door de Ministeries van BZK, Justitie en Defensie de zogeheten Civiel-Militaire Bestuursafspraken (CMBA) gemaakt. Daarmee heeft de krijgsmacht de rol gekregen van structurele partner van de civiele autoriteiten. Er is in kaart gebracht aan welke vormen van ondersteuning de civiele autoriteiten behoefte hebben en wat de krijgsmacht daar aan gegarandeerde capaciteit aan menskracht, middelen, expertise en vaardigheden tegenover kan stellen. De civiel-militaire bestuursafspraken zijn daarna verder uitgewerkt. In 2006 werd het convenant Intensivering Civiel

Militaire Samenwerking (ICMS) getekend dat zich richt op de ontwikkeling van Defensie tot structurele veiligheidspartner op het terrein van nationale veiligheid en crisisbeheersing. Op deze manier heeft het Ministerie zich ontwikkeld van vangnet naar structurele veiligheidspartner naast politie, brandweer, geneeskundige hulpverlening en de gemeenten.

De civiele autoriteiten kunnen een beroep doen op de capaciteiten van Defensie op het moment dat specifieke deskundigheid of materieel vereist is, of wanneer de civiele capaciteiten ontoereikend zijn in het kader van de openbare orde handhaving, de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde of de rampen- en crisisbeheersing.

Me dunkt dat dit convenant integraal kan worden geprojecteerd op de totale drugsproblematiek. Een problematiek die door toenemende criminaliteit en corruptie een regelrechte bedreiging is voor de rechtsstaat, maar kennelijk is men daar niet van doordrongen,


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.