Het rare volk

Henk Witte                                                                                                                                                                                                                                              De roep om meer democratie schalt de laatste jaren doorlopend door ons land. Een roep die niet alleen klinkt ten aanzien van de landelijke politiek, maar zeker ook waar het de Europese Unie betreft. Het referendum stond en staat daarbij hoog op het verlanglijstje van menig kiezer. Die roep om meer democratie, meer inzicht en de mogelijkheid om mee te beslissen over allerhande onderwerpen, bijvoorbeeld via een referendum, laat zich verklaren door het matige vertrouwen dat veel mensen hebben in de politiek. De kiezer wil er dichter op zitten.

Dat vertrouwen vertoont al vele jaren een middelmatige score en begeeft zich tussen de vijftig en zestig procent van de stemgerechtigden. Recent is zelfs gebleken dat de landelijke politiek een negatieve invloed heeft op het levensgeluk van mensen en dat ruim 65% vindt dat er niet goed naar de mensen in het land, de kiezer geluisterd wordt. (bron o.a. Centerdata). Het vertrouwen in de E.U. laat eenzelfde score zien.

In het algemeen kan dus gezegd worden dat nog geen zestig procent van kiezersvolk vertrouwen heeft in de politiek. Wie nou mocht denken dat de geschiedenis met de toeslagen, die zo pijnlijk nog eens nadrukkelijk het gebrek aan openheid aan het licht bracht, het vertrouwen in de politiek een extra knauw heeft gegeven, komt bedrogen uit.

Na dat enorme debacle en de complete afgang van de overheid (Kabinet-Kamers en het ambtenarenapparaat) blijft de kiezer toch in ruime meerderheid achter het Kabinet staan. Zo blijken alle vier regeringspartijen hun aanhang redelijk goed vast te houden. De schommelingen zijn marginaal. Ook het vertrouwen in de politiek in het algemeen lijkt door die toeslagenaffaire nauwelijks schade te hebben opgelopen.

Op de vraag hoe die houding van het kiezerspubliek te verklaren is zullen de verschillende analisten tot een diversiteit van antwoorden komen. Ik houd het simpel bij mijn conclusie dat wij een raar volk zijn. Waarom klonk in de voorbij jaren die roep om meer democratie zo luid en waarom blijft dat geluid nu uit? Het lijkt er op dat we zelfs het tegenovergestelde accepteren.  Rutte dwarsboomt met zijn doctrine en met ronduit het achterhouden van informatie de democratische besluitvorming, maar we blijven massaal achter hem en zijn Kabinet staan.

We maken ons druk om achterkamertjes gekonkel, worden kwaad als toezeggingen niet worden nagekomen, steigeren doorgaans briesend als informatie wordt achtergehouden of als onze volksvertegenwoordigers openlijk door Ministers, Staatssecretarissen, het Kabinet worden misleid. We verafschuwen het hele politiek wereldje als we weer eens vernemen van laakbaar handelen van Ministers, Staatsecretarissen, Kamerleden, wethouders en andere bestuurders. We kunnen ons groen en geel ergeren aan het gebrek aan voeling van onze volksvertegenwoordigers met de samenleving, maar als puntje bij paaltje komt blijven we alle ruimte geven aan al die onsmakelijkheden en tekortkomingen.

 

Dat wij als kiezers nog niet allemaal begrijpen dat zo’n Rutte doctrine een glijdende schaal zou kunnen zijn is nog tot daaraan toe. Dat echter ook de leden van de Kamer kennelijk niet het besef hebben welke kwalijke ontwikkeling op de loer ligt is zonder meer zorgwekkend. Even ter herinnering: die Rutte doctrine hield in dat volgens Rutte onderlinge discussies tussen ambtenaren en bewindslieden vertrouwelijk moeten plaatsvinden. Wat Rutte hiermee feitelijk doet is nog meer ruimte geven aan die zogenaamde vierde macht. Het ambtenarenkorps, niet door ons gekozen, maar wel met een grote – persoonlijke – invloed op de besluitvorming. Dat dient gecontroleerd te kunnen worden. Daar mogen we niet alleen zicht op hebben, daar moeten we zicht op hebben. Nog los van de vraag wie er bepaalt welke discussie wel of niet voor de Kamer relevant is om de besluiten op Ministerieel niveau te kunnen beoordelen, transparantie is ook op het ambtelijk niveau zonder meer wenselijk. Onze volksvertegenwoordigers zullen toch willen weten in hoeverre derden hun belangen hebben behartigd, het bekende lobbyen, en wat daarvan tot de besluiten is doorgedrongen. We willen toch verdorie in de gaten kunnen houden hoever de macht van de ambtenarij reikt. Wat is de status van die vierde macht?

Die mogelijk onevenredige invloed van het ambtenarenkorps dient dus bewaakt te worden. Heeft dat immers niet een relatie met de strijd tegen corruptie, een aspect dat bij de almaar groter wordende (materiële) belangen binnen ons doorgeslagen kapitalistisch systeem steeds nadrukkelijker op de deur van ons democratisch gebouw klopt. Zie de ontwikkelingen in de Rotterdamse haven. In hoeverre heeft de corruptie aldaar al bestuurders en bestuursorganen bereikt en wat zou, zo dat zo is, hun invloed in “Den Haag” dan al kunnen zijn? Dat zijn geen onzinnige hersenspinsels. Het is een harde realiteit in een wereld waarin Nederland geen eiland is.

Het is dit aspect waar de Tweede Kamer nadrukkelijk op aan moet slaan. Het is een dergelijk mogelijk afglijden dat een eind moet maken aan gekonkelfoes buiten het waarnemingsveld van onze volksvertegenwoordigers en van ons. Oprechte ambtenaren hebben van openheid niks te vrezen.